Drie

Er is hier een mevrouw die haar doopnamen niet meer weet. Ze weet alleen nog dat het er drie zijn. ‘Het was ook een stomme vraag’, zeg ik. ‘Mijn doopnaam is Elisabeth. En ik ben niet eens gedoopt.’

Advertenties

Te hard

De verpieterde mevrouw zit met de zwijgzame echtgenoot en de zongebruinde dochter op het terras. De dochter lacht hard. Steeds net te hard. Alsof ze zichzelf ergens van probeert te overtuigen.

Feestje

Er was eens een vrouw die dacht dat ze uitgenodigd was voor een feestje. Aan iedereen die het horen wilde (en trouwens ook iedereen die het niet horen wilde) vertelde ze erover.
‘Ik denk dat ik mijn groene jurk aantrek’, zei ze. ‘Of mijn bruine rok, die met de verticale streep, die kleedt mooi af. Ik twijfel nog.’
Of ze zei: ‘Ik denk nog na over een cadeau. Een cadeau kan een avond maken of breken.’
Of ze zei: ‘Ik hoop dat er leuken gasten zullen zijn. Makkelijke praters. Mensen die écht iets te vertellen hebben.’

Ze had het erover en had het erover en had het erover.
‘Het feestje is op donderdag 12 augustus om vier uur’, zei ze.
Maar toen het 12 augustus was wist ze niet wie het feestje eigenlijk gaf, waar het gehouden werd en waar ze de uitnodiging gelaten had.

Extern geheugen

Er is een man die niets meer weet. In een helder moment heeft hij nog weleens gezegd: ‘Als je je geheugen kwijt bent, ben je eigenlijk alles kwijt.’ En dat klopt. Zo was er ooit de parkeerwacht die vroeg: ‘Is deze auto van u?’ en wees op een rode Peugeot met een gedeukte nummerplaat.
‘Al sla je me dood’, zei de man.
Dit incident is hij inmiddels vergeten. Hij hoort er voor het eerst weer over van een vrouw die hij ‘s ochtends aantreft aan de ontbijttafel. Hij vermoedt dat ze ook naast hem geslapen heeft, want in het kussen naast het zijne was een kuiltje en er lag een lange blonde haar.
‘Hou je nog een beetje van me?’ vraagt de vrouw. Het is een mooie vrouw. Haar ogen zijn droevig maar ze heeft een mooie mond en lieve, kleine oren.
Hij wil de vrouw niet kwetsen. ‘Ja hoor’, mompelt hij terwijl hij melk over zijn cornflakes giet. Op het ene pak staat ‘melk’, op het andere ‘cornflakes’. Hij brengt een lepel naar zijn mond want dat doet de vrouw ook. Hij slurpt en hij kauwt.
‘Je weet zeker niet meer wie ik ben?’ zegt de vrouw.
‘Het spijt me’, zegt de man.
‘Ik ben je externe geheugen’, zegt de vrouw. ‘Je kunt me alles vragen. Vraag maar iets.’
‘Hoe heet ik?’ vraagt de man.
‘Johan’, zegt de vrouw. ‘Johannes Maria Eduardo van Zuilen. Je moeder is Portugees.’
‘Portugees’, zegt de man, ‘Portugees’. Het is een gek woord. Hij laat het door zijn mond gaan als een slokje water.
‘Portugal is een land’, zegt de vrouw. ‘Tweeduizend kilometer hiervandaan. Het is er warm. Ze eten er veel sardines. De mensen die er wonen noemen we Portugezen.’
Wonderlijk, denkt de man, wat wonderlijk. Zojuist was hij niemand, nu is hij Johan met een Portugese moeder. Hij probeert de nieuwe kennis vast te houden met zijn hoofd. Het is hard werken. Het wil steeds wegglippen, dat voelt hij. De kennis is een glad visje dat veel te gemakkelijk ontsnapt.
‘Ik vind het niet erg om je externe geheugen te zijn’, zegt de vrouw. Ze schrijft ondertussen etiketten die ze op de dingen plakt. ‘Tafel’ op de tafel, ‘appelstroop’ op de appelstroop. ‘Ik hou al heel lang van je en ik heb veel geduld. Als het moet zal ik je elk uur hetzelfde vertellen. Is er nog iets dat je zou willen weten?’
‘Ben ik aardig?’ vraagt de man.
De vrouw denkt na. Er zijn dagen waarop ze de waarheid zegt en dagen waarop ze het net wat mooier maakt dat het is. Die vrijheid heeft ze nu. Zo herschrijft ze ook haar eigen geschiedenis. Niemand die haar tegenhoudt. Vandaag zegt ze: ‘Over het algemeen ben je heel aardig. Je bent een goed mens. In essentie ben je een goed mens.’
Uit de mond van de man komen plotseling woorden. Hij weet niet waar ze vandaan komen en wat ze precies betekenen maar ze verdringen zich achter de tanden, alsof er een kleine aardverschuiving heeft plaatsgevonden in zijn hoofd. ‘To have and to hold’, zegt hij, ‘till death do us part’.
De vrouw kijkt verbaasd op. Ze krijgt tranen in haar ogen. Heel even maar. Ze slikt en dan zijn de tranen weer weg. Een snelle overgang van vloed naar eb.
‘Prachtig’, zegt ze en ze pakt zijn hand. Hun handen liggen op het tafelkleed tussen de beschuitkruimels en de vrouw zegt: ‘Gezien de omstandigheden zou je je niets beters kunnen wensen dan een extern geheugen.’ En de man voelt hoe warm de hand is.
Hij zegt: ‘Ik ben Johan’
‘Ja’, zegt de vrouw. ‘Dat klopt.’

Spraakverwarring

Ik dacht dat spraakverwarring betekende dat je iets anders begreep dan de ander bedoelde. Hier betekent het ook dat je iets anders zegt dan je zelf bedoelde. Het lukt de betekenis niet om door de woorden heen te breken. Je wilt zeggen: ‘Mijn vrouw komt op bezoek.’ Je zegt: ‘De liefde. De liefde.’ Hoe meer ervan afhangt, des te meer verdringen de woorden zich voor de mond, irriteren de luchtwegen. Je hoest vergissingen. Je zegt: ‘De liefde. De liefde.’ Het heeft er onmiskenbaar mee te maken maar het ene woord is het andere niet. Je bedoelt: ‘Mijn vrouw komt op bezoek. Daar ben ik blij mee. Ik mis mijn vrouw.’