Maartje, Willem en Elske op Radio 1

Op 19 oktober waren de drie schrijvers in huis te gast bij de Nieuws BV op Radio 1. Luister het gesprek en de voordrachten hier terug.

Advertenties

Het koelvak

‘Ik heb er geen zin meer in’, zei het oudste spruitje op een dag. ‘Ik haal er geen plezier meer uit, het is genoeg geweest.’
De andere spruitjes hebben haar toen vooraan in het schap gelegd.
Daar kwam op een dag een grote hand die haar oppakte en meenam.
‘De hand van God’, beweerde een spruitje dat het gezien had. En zo ging ze de geschiedenisboeken in. Aangeraakt, opgepakt en meegenomen door de hand van God.

Accessoire

Ik ken een meisje dat haar vriend als een soort accessoire gebruikt. Zij kleedt zich goed en hij kleedt zich goed en daarna gaan ze gearmd de straat op. Het zijn twee uitgesproken mensen. Nu ik er zo over nadenk is zij ook zijn accessoire. Ze lopen met elkaar te pronken op de boulevard en in het nachtleven. Zij zegt dingen als: ‘Hij is mijn muze. Alles wat ik maak gaat uiteindelijk over hem.’ Hij zegt: ‘Ze maakt het artistieke beest in me los.’

Toen ik wist dat ik drie weken in het verzorgingshuis ging wonen was ik bang dat ik de ouderen ook als een soort accessoires zou gebruiken. Ik zag mezelf al op de foto gaan met de oude mensen en de foto’s dan twitteren met onderschriften als: ‘Meneer van Dongen eet zijn harinkje graag rauw. #authentiek #zolief #deschat’. Ik dacht: daar ga ik dan. Wel de lusten, niet de lasten.

Maar mijn huisgenoten zijn ook een soort muzen gebleken. Eén muze wandelt dagelijks naar het pleintje bij de Albert Heijn. Onderweg strooit ze bij een boom brood voor de vogels. Het gaat allemaal heel langzaam. Slow cooking, slow writing, slow living. ‘Ik kom tijd tekort’, zegt de muze, ‘voor wat ik allemaal wil doen op een dag.’

Een andere muze draagt prachtige blouses. Ze klinkt graag verontwaardigd maar als je goed naar haar mondhoeken kijkt, als je de juiste snaar raakt, als je haar ervan weet te overtuigen ‘Mevrouw X ik vind u écht heel aardig. U. Ú!’ dan zie je dat ze stiekem geamuseerd is. Dat ze haar instemming zelden toont – heel soms toch, op gezette tijden – als het vogeltje in een koekoeksklok.

Eén muze is heel klein en een beetje knoestig, als een knotwilg. Ze praat met horten en stoten en loopt heel vlug. Ze arriveert en vertrekt weer en zegt tussendoor dat ze getrouwd was met een hele lange man. Als meisje hoopte ze dat ze niet voor een lange man zou vallen maar dat is tóch gebeurd. Zo werkt het lot (zij noemt het God. We zoeken de overeenkomsten. We zeggen op verzoenende toon dat er maar één letter verschil is.)

En dan zijn er nog al die mensen die muzen hadden kunnen worden (hadden kunnen worden) als de tijd het had toegelaten. De mevrouw die elk uur vertelt dat ze veertien jaar op de kinderen van haar dochter heeft gepast. Dat toen ze een hersenbloeding kreeg de dochter zei: ‘Nu is het mijn beurt.’ (De stem van de mevrouw breekt elke keer als ze dat zegt.) De man die tijdens het optreden van het smartlappenkoor op het blad van zijn rolstoel slaat, een hand naar me uitsteekt en roept: ‘Help me overeind. Ik wil met je dansen!’ De activiteitenbegeleidster met het dure, artistieke brilmontuur. De verzorgster die zo lief lacht. De jongen die de medicijnen uitdeelt. De man van de technische dienst die naar beneden de lift neemt, naar boven de trap. Het mooie meisje van de keuken dat haar auto parkeert aan de Muzenlaan bij een flat die de Muzenberg heet.