In perspectief

De overgrote meerderheid van de bewoners leest De Telegraaf. Dus met die Derde Wereldoorlog zal het wel meevallen.

Advertenties

Apparaten

Vrij impulsief heb ik een auto gekocht. Plotseling voelde ik sterker dan ooit dat ik in beweging moet blijven. Diezelfde avond nog krijg ik een mail van Wiet die (toevallig) het volgende aan mij schrijft: ‘Het gemis van een eigen auto waarmee ik mij zelfstandig buitenshuis kan begeven, merkwaardigerwijs zonder het gevoel van eenzaamheid, (door een gevoel van macht over een apparaat???) daar moet ik nog aan wennen.’

Bij mij is het omgekeerd: de apparaten in mijn kamer hebben de macht over mij overgenomen. Nu springt ‘s nachts niet alleen de cd-speler aan (aux, aux, aux) maar het licht in de koelkast ook. Het licht schijnt fel en penetrant tussen de kieren van de deuren door, alsof die koelkast een ijskoude, vierkante engel is. Als er een entiteit, een spook, een kracht, iemand is die mij iets wil komen vertellen dan heb ik liever dat het overdag gebeurt, maar ik heb natuurlijk niets te zeggen. Dat schijnt bij het leven te horen. Ze zeggen het hier allemaal: je hebt er niets over te zeggen. Ze zeggen dat het je overkomt.

image1 (6)

Time is on my side

Wiet liet me zijn oude woning zien, aan de overkant van de straat. Op de deur hangt een briefje: ‘Entrez – clinique du chaos’. Hij waarschuwde me van tevoren al voor de rommel. Gedurende zijn hele leven heeft hij meer dan duizend brieven geschreven. Volgens hem gingen al die brieven over vrede. De brieven heeft hij stuk voor stuk bewaard in diepvrieszakken. Hij weet niet wat hij over moet huizen naar zijn kamer in het verzorgingstehuis en wat hij achter zich moet laten. Daarom houdt hij zijn oude woning voorlopig aan, ook al betaalt hij dubbele huur. Hij vertelt dat hij het huis mist vanwege de overzichtelijke vorm, die zo goed bij zijn manier van denken en leven paste. In de woonkamer staan allerlei bakken met boeken over o.a. de Balkan, Rusland, ADHD en autisme/asperger. Als we teruglopen zegt Wiet dat het hem spijt dat hij nooit iemand heeft ontmoet om zijn kennis mee te delen, een liefde met wie hij van ideeën heeft kunnen wisselen. ‘Het grootste voordeel van alleen zijn,’ zegt hij, ‘is dat ik mijn hele leven de tijd heb gehad om na te denken.’

image1 (5)

Gelukkig durven andere mensen wat ik niet durf: er wordt op mijn deur geklopt. Een zeer leuke, vriendelijke vrouw, die zelfstandig woont (en is) nodigt me bij haar thuis uit voor een kop thee. We praten en drinken. Ik beloof haar dat ik niet zomaar over haar (verhaal) zal schrijven, in ieder geval niet zonder het eerst aan haar te laten lezen. Het voelt bevrijdend om een gesprek te voeren zonder direct doel; het maakt de taal, mijn hele wezen vloeiender. Als we een paar uur gepraat hebben vraagt ze of ik iets van het gesprek heb geleerd. ‘Dat weet ik nog niet,’ zeg ik. En weer is daar de tijd die ik zo hard nodig zal hebben.

Ik ben bang dat het inzicht zich niet in de periode van mijn verblijf aan mij zal voordoen.

Er is hier een kapper, een huisarts, een fysiotherapeut, een café, een bibliotheek, een gemakswinkel, een gezondheidscentrum, een informatiepunt, een weekmarkt, een tuin met vogels en vissen, een restaurant, er is een koormiddag, een biljartvereniging, er zijn kienavonden, Fitelle-gymnastiekles, er is een jeu de boules-middag, een spelavond, een workshop tai chi, een bridge-avond, er is een foto-expositie, een gedenkkamer, een culinaire Oud Hollandse-avond, een parkfestival, een workshop muziek, een optreden van de Brabo’s, een verkoopmiddag van lingerie en nachtmode, een proeverij, biljartavonden, een rock en roll-middag, bloemschikken, een klassieke muziekmiddag, een optreden van Kupalje, een tekenmiddag met kinderen uit de buurt, een knuffelbus, een poëzieochtend, een Oktoberfest, een culinaire stamppotten-avond, een verkoopmiddag van Carmaschoenen. En dat allemaal alleen al in de maand oktober.

Oktoberfest is ook hier gevierd. Deze mensen zijn 52 jaar getrouwd.

Oktoberfest is ook hier gevierd. Deze mensen zijn 52 jaar getrouwd.

Onbestemd

Op een gegeven moment, tegen een uur of vier, wordt het onrustig in het huis. Dan willen de meeste mensen naar huis.

Volgens mij was het Erwin Olaf (of Mimi Kok, dat ben ik vergeten) die – vrij vertaald – zei: ‘Soms zit ik thuis op de bank en dan denk ik: ik wil naar huis.’

Ik vermoed dat het voor deze mensen anders is; een ander gevoel. Maar verder dan vermoedens kom ik niet.

Donderdag 8 oktober

Voor boekhandel Spijkerman staan twee bakken met afgeprijsde boeken. In de bak ligt een boek van Luis Buñuel: Mijn laatste snik. Discrete herinneringen. Ergens op een van de eerste pagina’s staat:

‘Een geheugen wordt voortdurend belaagd door fantasie en dromerij, en omdat het verleidelijk is om in de realiteit van het denkbeeldige te geloven, maken we uiteindelijk onze leugen tot waarheid. En dat is trouwens niet eens zo erg belangrijk, want het een is even persoonlijk, even doorleefd als het ander.’

Buñuel schrijft over zijn moeder, die hem niet meer herkende. Hij bezocht haar, zij was vreselijk blij hem te zien. Hij liep even naar buiten om een sigaretje te roken en als hij de kamer weer binnenkwam was het voor zijn moeder alsof ze hem die dag voor het eerst zag.

IMG_0894

Ik pak het boek uit de bak, reken af bij de boekhandelaar terwijl we praten over het nieuwste boek van Connie Palmen, een boek dat mij in ieder geval een oneindige diepte in heeft gesleurd. Als ik weer in het huis ben en naar mijn kamer loop staat er een bloemstuk voor mijn deur van alle deelnemers van de bloemschikclub, waar ik deze week niet bij aanwezig was. (Ik word er nu al weemoedig van.) Naast het bloemstuk staat een aantal rollators: er moet een activiteit in de buurt zijn. In Vijverzicht, een receptie-achtig zaaltje dat aan mijn kamer ligt, zitten inderdaad een dertigtal mensen aan ronde tafels. Ze drinken wijn en ogen vrolijk, vitaal, sterk, verzorgd, een enkeling zelfs buitengewoon knap. Dit zijn heel andere ouderen dan die ik de laatste weken gezien heb. Deze bewoners wonen zelfstandig, maar kunnen om hulp vragen wanneer ze die nodig hebben. Er wordt levendig en nieuwsgierig op mijn aanwezigheid gereageerd. Misschien moet ik als ik dat durf eens bij iemand aanbellen om echt te kunnen integreren, om de andere kant van het verhaal te horen.

IMG_0848

Ondertussen blijf ik in een denkbeeldige wereld en lees de memoires van Buñuel.

Ik heb het boek nog niet uit, maar op de achterflap staat de belofte dat de passages waarin hij schrijft over het ouder worden schokkend en onvergetelijk zijn. Zijn allerergste angst: ‘In leven zijn maar jezelf niet meer herkennen. Niet meer weten wie je bent.’

Een mevrouw zegt dat ze een aapje aan het stuur van haar rollator heeft gehangen zodat ze hem altijd kan terugvinden.

Een mevrouw zegt dat ze een aapje aan het stuur van haar rollator heeft gehangen zodat ze hem altijd kan terugvinden.

OPROEP!!!!
Er is een boek van Georges Perec waarin hij al zijn herinneringen opsomt. De ene herinnering brengt hem naar zijn volgende herinnering, enzovoort. Op deze manier krijg je de mooiste zelfportretten/levenswerken. OPROEP Mocht een van de bewoners dit lezen: u bent altijd welkom om met een opsomming van uw herinneringen bij mij langs te komen, of ze nu waar zijn of gelogen. Ik kom ook graag bij u langs. U kunt de herinneringen onder mijn deur doorschuiven indien u kampt met tijdgebrek, verlegenheid of andere beslommeringen. Eén enkele herinnering zou al fantastisch zijn. Ik woon tot 16 oktober in de logeerkamer op de begane grond in Engelsbergen, aan het einde van de gang, naast Vijverzicht. Ik ben er ook in het weekend. Mijn e-mailadres: maartjewortel@gmail.com

Spijt is iets voor later

Ik vraag aan Wiet of hij weleens wiet heeft gerookt.

Nog nooit. Hij heeft wel een zakje in zijn kamer liggen, hij vond het eens op straat en nam het mee naar huis. Hij kijkt me ondeugend aan.

‘Laten we dat maar niet doen,’ zeg ik. Maar ik ben wel blij dat we nog een week hebben om op dit besluit terug te komen.

Woensdag 7 oktober

’s Avonds in het restaurant vraag ik aan een paar mensen of ik bij ze mag aanschuiven. Daar willen de meesten niets van weten. Ze hebben hun eigen, vaste plek. Ze praten met de bewoners die ze kennen, zien steeds dezelfde gezichten; er hebben zich net als op de middelbare school groepjes gevormd die moeilijk te doorbreken zijn. Het is en blijft (ongeacht je leeftijd) moeilijk om vrienden te maken. Ik bedoel: échte vrienden. Mensen met wie het klikt, iemand bij wie je je zonder al teveel angst of terughoudendheid veilig kunt voelen. Ik heb me nog nooit van mijn leven eenzaam gevoeld, laat staan alleen. Sterker nog: het liefst ben ik alleen, je kan me niet gelukkiger maken. En als ik niet alleen wil zijn bel ik iemand op of stap ik op de fiets om tien minuten later aan te bellen bij een deur waarachter iemand woont van wie ik houd. Maar hier besef ik hoe eenzaam het leven is. Je moet maar net de juiste mensen tegenkomen. En dan nog.

Dan nog. Zo vanzelfsprekend is het nou ook weer niet. Wanneer ken je de ander nou echt? Wanneer laat je je kennen? Het is vooral een gedoe, al die pogingen.

Achter in het restaurant zit een vrouw alleen. Het eten is nog niet geserveerd maar ze heeft al twee toetjes gepakt. Vla met slagroom. Ik loop naar haar toe en ze vindt het gezellig dat ik bij haar kom zitten; ook zij is niet welkom aan tafel bij de anderen. ‘Ik word altijd weggestuurd.’

Ze zegt dat de meeste bewoners overdag gewoon op hun kamer blijven.

‘Ik ken hier niemand. De mensen houden zich schuil.’

Ach, denk ik. Ik hoor er al helemaal bij.

*

Met mijn jonge leeftijd hoef ik niet blij te zijn. Vrijwel alle bewoners die ik spreek denken 1. dat de wereld vergaat, 2. dat de Derde Wereldoorlog eraan komt, 3. dat er geen toekomst is voor jonge mensen vanwege de IS en vanwege natuurproblemen en de financiële crisis. Nu denk ik zelf ook dagelijks dat de wereld vergaat en dat WO III gevaarlijk dichtbij is. Thuis kan ik dit afdoen als waanideeën, als paranoïde gedachten, in het slechtste geval als gekte, maar hier is het wantrouwen jegens de toekomst eerder een regel dan een uitzondering. Van tevoren had ik gedacht dat ik rust zou gaan vinden in het verzorgingstehuis, dat het een bijna meditatieve ervaring zou worden, dat de dagen lang zouden zijn, de nachten lang, dat de tijd zich als een oneindige vlakte voor mij uit zou strekken, dat ik iedere minuut weer zou gaan zien zoals de minuut zich aan mij aandiende: als een volle minuut. Maar het tegendeel blijkt waar. Ik ben drukker in mijn hoofd dan ooit. De tijd is een nauw, klein hok met een deur waarvan ik de code niet ken. Precies zoals de tussenruimtes op de gesloten afdeling. Als ik op de gesloten afdeling in een kring zit met ouderen die liedjes zingen en ik Gerard Cox ‘Het is weer voorbij die mooie zomer’ hoor zingen – ik zie de dunne verschraalde lippen mee neuriën, zachte oude handen klappen op het ritme van de muziek – moet ik bijna huilen. Alles gaat zo snel voorbij en ik zit er middenin. Dit is een plek waar mijn angsten worden bevestigd. Gelukkig lijken de bewoners zelf ondertussen nergens last van te hebben. Ze zijn vrolijk nu ze liedjes horen die ze kennen, die ze woordelijk mee kunnen zingen, die ze terugbrengen naar een levendige herinnering.

Als het lied ‘Was ik maar bij moeder thuisgebleven’ wordt opgezet, zegt de activiteitenbegeleidster dat ze vaak terugdenkt aan de tijd dat ze nog thuis woonde. Dat ze geen zorgen had omdat haar moeder eten kookte, na school thuis zat met koekjes en dat ze toen nog niet hoefde te koken, wassen, strijken, boodschappen doen.

‘Dat hoeven wij nu nog steeds niet!’ schreeuwt een vrouw vanuit de hoek. ‘Er wordt heel goed voor ons gezorgd. Het lijkt thuis wel.’

*

’s Ochtends vroeg kreeg ik een rondleiding op de gesloten afdeling. Toen ik aankwam werd een brancard van Dela uitvaartverzorging de lift uitgereden. Er was een mevrouw overleden. Het overlijden van een persoon, de hele afhandeling die daarop volgt, leek routine te zijn geworden. Iemand wees de mensen van de uitvaartverzorging de weg en leidde mij nog geen vijf seconden later rond. We liepen langs verschillende woonkamers waar mensen bewegingsloos in een rolstoel of aan een tafel zaten. Een man at een bord pap. Een ander viel bijna voorover van de bank. Ooit ging ik naar een toneelstuk waarbij de toeschouwers bij aanvang in een rolstoel werden gestopt. Je kreeg een koptelefoon op waardoor allerlei gedachten uitgesproken werden, de geluiden werden hard en zacht gedraaid: je had geen controle meer. We werden naar een woonkamer gereden en daar zaten we, met die uitgesproken gedachten, de geluiden die onze oren binnendrongen, het repetitieve, het onberekenbare, en we moesten maar afwachten wat er zou gaan gebeuren. Het was heel goed gedaan. Ik voelde me totaal hulpeloos. Helaas ben ik de naam van het toneelgezelschap en het stuk vergeten, maar ik moest aan een theaterstuk denken toen ik al die mensen met lege blikken op hun stoel zag zitten. In afwachting van iets. Maar wat?

Er was één mevrouw die onafgebroken rondjes over de afdeling liep. Dat doet ze altijd. Ze staat op en begint te lopen. De hele dag loopt ze rondjes, alsof ze tegen de stilstand in loopt. Zo’n driehonderd keer per dag komt ze langs de man die naar de deur wijst en zegt dat ze de deur dicht moet doen. Zo’n driehonderd keer per dag zegt die man: ‘Doe de deur dicht.’ En die vrouw maar lopen. Ook als ik allang weer op mijn eigen kamer ben en in slaap val. Lopen, lopen, lopen.

’s Nachts word ik wakker omdat de cd-speler plotseling aanspringt. De hele kamer wordt verlicht door het felle licht. Onmiddellijk denk ik aan de overleden vrouw. Ik hoop dat er iemand is die een boodschap voor mij heeft, maar als ik op blote voeten over de vloerbedekking naar de cd-speler toeloop en op het scherm kijk staat er alleen: AUX.

*

Ik heb een vriend gemaakt. Zijn naam is Wiet. Hij zegt: ‘In het Frans is het huit. Acht.’

Acht speelt een belangrijke rol in zijn leven. Hij is het achtste kind van zijn moeder, hij noemt een geboortedatum, een adres, het aantal jaar dat hij in Australië verbleef. Wiet schreef me een prachtige brief en daarna ging ik bij hem op bezoek in zijn kamer op de vijfde verdieping. We aten samen groentesoep en spaghetti in het restaurant. Hij vertelde me over zijn leven. Voor zover je in een paar uur over een leven kunt vertellen. Zijn kamer lijkt op de werkplek van een schrijver: het is rommelig en geordend tegelijkertijd, op een bepaalde manier ook erg gezellig. En eigen. Er liggen briefjes en boeken op de grond. Boven – of beter gezegd op – zijn televisie hangt een A4-tje waarop staat: WAAROM? Dat is de beste vraag die een mens zich kan stellen. Misschien wel de enige.

IMG_0881

IMG_0884