Woensdag 7 oktober

’s Avonds in het restaurant vraag ik aan een paar mensen of ik bij ze mag aanschuiven. Daar willen de meesten niets van weten. Ze hebben hun eigen, vaste plek. Ze praten met de bewoners die ze kennen, zien steeds dezelfde gezichten; er hebben zich net als op de middelbare school groepjes gevormd die moeilijk te doorbreken zijn. Het is en blijft (ongeacht je leeftijd) moeilijk om vrienden te maken. Ik bedoel: échte vrienden. Mensen met wie het klikt, iemand bij wie je je zonder al teveel angst of terughoudendheid veilig kunt voelen. Ik heb me nog nooit van mijn leven eenzaam gevoeld, laat staan alleen. Sterker nog: het liefst ben ik alleen, je kan me niet gelukkiger maken. En als ik niet alleen wil zijn bel ik iemand op of stap ik op de fiets om tien minuten later aan te bellen bij een deur waarachter iemand woont van wie ik houd. Maar hier besef ik hoe eenzaam het leven is. Je moet maar net de juiste mensen tegenkomen. En dan nog.

Dan nog. Zo vanzelfsprekend is het nou ook weer niet. Wanneer ken je de ander nou echt? Wanneer laat je je kennen? Het is vooral een gedoe, al die pogingen.

Achter in het restaurant zit een vrouw alleen. Het eten is nog niet geserveerd maar ze heeft al twee toetjes gepakt. Vla met slagroom. Ik loop naar haar toe en ze vindt het gezellig dat ik bij haar kom zitten; ook zij is niet welkom aan tafel bij de anderen. ‘Ik word altijd weggestuurd.’

Ze zegt dat de meeste bewoners overdag gewoon op hun kamer blijven.

‘Ik ken hier niemand. De mensen houden zich schuil.’

Ach, denk ik. Ik hoor er al helemaal bij.

*

Met mijn jonge leeftijd hoef ik niet blij te zijn. Vrijwel alle bewoners die ik spreek denken 1. dat de wereld vergaat, 2. dat de Derde Wereldoorlog eraan komt, 3. dat er geen toekomst is voor jonge mensen vanwege de IS en vanwege natuurproblemen en de financiële crisis. Nu denk ik zelf ook dagelijks dat de wereld vergaat en dat WO III gevaarlijk dichtbij is. Thuis kan ik dit afdoen als waanideeën, als paranoïde gedachten, in het slechtste geval als gekte, maar hier is het wantrouwen jegens de toekomst eerder een regel dan een uitzondering. Van tevoren had ik gedacht dat ik rust zou gaan vinden in het verzorgingstehuis, dat het een bijna meditatieve ervaring zou worden, dat de dagen lang zouden zijn, de nachten lang, dat de tijd zich als een oneindige vlakte voor mij uit zou strekken, dat ik iedere minuut weer zou gaan zien zoals de minuut zich aan mij aandiende: als een volle minuut. Maar het tegendeel blijkt waar. Ik ben drukker in mijn hoofd dan ooit. De tijd is een nauw, klein hok met een deur waarvan ik de code niet ken. Precies zoals de tussenruimtes op de gesloten afdeling. Als ik op de gesloten afdeling in een kring zit met ouderen die liedjes zingen en ik Gerard Cox ‘Het is weer voorbij die mooie zomer’ hoor zingen – ik zie de dunne verschraalde lippen mee neuriën, zachte oude handen klappen op het ritme van de muziek – moet ik bijna huilen. Alles gaat zo snel voorbij en ik zit er middenin. Dit is een plek waar mijn angsten worden bevestigd. Gelukkig lijken de bewoners zelf ondertussen nergens last van te hebben. Ze zijn vrolijk nu ze liedjes horen die ze kennen, die ze woordelijk mee kunnen zingen, die ze terugbrengen naar een levendige herinnering.

Als het lied ‘Was ik maar bij moeder thuisgebleven’ wordt opgezet, zegt de activiteitenbegeleidster dat ze vaak terugdenkt aan de tijd dat ze nog thuis woonde. Dat ze geen zorgen had omdat haar moeder eten kookte, na school thuis zat met koekjes en dat ze toen nog niet hoefde te koken, wassen, strijken, boodschappen doen.

‘Dat hoeven wij nu nog steeds niet!’ schreeuwt een vrouw vanuit de hoek. ‘Er wordt heel goed voor ons gezorgd. Het lijkt thuis wel.’

*

’s Ochtends vroeg kreeg ik een rondleiding op de gesloten afdeling. Toen ik aankwam werd een brancard van Dela uitvaartverzorging de lift uitgereden. Er was een mevrouw overleden. Het overlijden van een persoon, de hele afhandeling die daarop volgt, leek routine te zijn geworden. Iemand wees de mensen van de uitvaartverzorging de weg en leidde mij nog geen vijf seconden later rond. We liepen langs verschillende woonkamers waar mensen bewegingsloos in een rolstoel of aan een tafel zaten. Een man at een bord pap. Een ander viel bijna voorover van de bank. Ooit ging ik naar een toneelstuk waarbij de toeschouwers bij aanvang in een rolstoel werden gestopt. Je kreeg een koptelefoon op waardoor allerlei gedachten uitgesproken werden, de geluiden werden hard en zacht gedraaid: je had geen controle meer. We werden naar een woonkamer gereden en daar zaten we, met die uitgesproken gedachten, de geluiden die onze oren binnendrongen, het repetitieve, het onberekenbare, en we moesten maar afwachten wat er zou gaan gebeuren. Het was heel goed gedaan. Ik voelde me totaal hulpeloos. Helaas ben ik de naam van het toneelgezelschap en het stuk vergeten, maar ik moest aan een theaterstuk denken toen ik al die mensen met lege blikken op hun stoel zag zitten. In afwachting van iets. Maar wat?

Er was één mevrouw die onafgebroken rondjes over de afdeling liep. Dat doet ze altijd. Ze staat op en begint te lopen. De hele dag loopt ze rondjes, alsof ze tegen de stilstand in loopt. Zo’n driehonderd keer per dag komt ze langs de man die naar de deur wijst en zegt dat ze de deur dicht moet doen. Zo’n driehonderd keer per dag zegt die man: ‘Doe de deur dicht.’ En die vrouw maar lopen. Ook als ik allang weer op mijn eigen kamer ben en in slaap val. Lopen, lopen, lopen.

’s Nachts word ik wakker omdat de cd-speler plotseling aanspringt. De hele kamer wordt verlicht door het felle licht. Onmiddellijk denk ik aan de overleden vrouw. Ik hoop dat er iemand is die een boodschap voor mij heeft, maar als ik op blote voeten over de vloerbedekking naar de cd-speler toeloop en op het scherm kijk staat er alleen: AUX.

*

Ik heb een vriend gemaakt. Zijn naam is Wiet. Hij zegt: ‘In het Frans is het huit. Acht.’

Acht speelt een belangrijke rol in zijn leven. Hij is het achtste kind van zijn moeder, hij noemt een geboortedatum, een adres, het aantal jaar dat hij in Australië verbleef. Wiet schreef me een prachtige brief en daarna ging ik bij hem op bezoek in zijn kamer op de vijfde verdieping. We aten samen groentesoep en spaghetti in het restaurant. Hij vertelde me over zijn leven. Voor zover je in een paar uur over een leven kunt vertellen. Zijn kamer lijkt op de werkplek van een schrijver: het is rommelig en geordend tegelijkertijd, op een bepaalde manier ook erg gezellig. En eigen. Er liggen briefjes en boeken op de grond. Boven – of beter gezegd op – zijn televisie hangt een A4-tje waarop staat: WAAROM? Dat is de beste vraag die een mens zich kan stellen. Misschien wel de enige.

IMG_0881

IMG_0884

Advertenties

2 gedachtes over “Woensdag 7 oktober

Laat een bericht achter

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s