De eerste week

Een maand geleden stond er een klein berichtje in de krant. Er werd geschreven over dit project, over het feit dat ik drie weken in een verzorgingstehuis zou gaan wonen. Op de dag dat het bericht in de krant verscheen was mijn moeder jarig. We zaten aan een grote tafel in de tuin en haar vrienden zeiden: ‘Ik snap niet dat je vrijwillig in een bejaardentehuis gaat wonen.’ En: ‘Daar zou ik heel depressief van worden.’ En ook zeiden ze dat er een muffe geur in zo’n tehuis hangt. De geur van de dood.

Ze maakten me niet bang met hun gelach, met hun: ‘Jij liever dan ik,’ maar het viel me wel op hoeveel aversie een bejaardentehuis bij ze opriep. Misschien omdat die vrienden weten dat het niet lang meer zal duren tot ook zij meer verzorging nodig zullen hebben. Ik herinner me dat ik niet zo lang geleden aan een vriend van mijn vader (67) vroeg of hij zich oud voelde. ‘Nooit,’ zei hij. Maar laatst keek hij uit het raam, hij zag een man fietsen en dacht: wat een oude man. Tot hij zich realiseerde dat hij zijn beste vriend zag fietsen, die nota bene één jaar jonger is dan hij. Het oud zijn had zich niet aangekondigd, hij was het ongemerkt geworden. Ik dacht aan de schrijver Ryunosuke Akutagawa. Hij schreef: ‘Ah, what is the life of a human being – a drop of dew, a flash of lightning? This is sad, so sad.’

*

Ik arriveer in het verzorgingstehuis in Eindhoven op een dinsdagmiddag.
Het eerste gesprek dat ik opvang gaat over Viagra.
Het eerste dat opvalt: het huis ziet eruit als een hotel. Schone, ruime, lange gangen. Kunst aan de muur. Comfortabele zithoekjes.
Het tweede dat opvalt: ik voel me ongemakkelijk terwijl ik langs groepjes oude mensen loop. Omdat ik de bewoners niet wil bekijken als bejaarden, iets dat onwillekeurig toch gebeurt. Logisch, want de mensen die hier wonen zijn immers ook bejaarden. Ik moet eerlijk toegeven: ik ben vooringenomen als het op ouderen aankomt, alsof ik toch denk: die tellen niet meer mee. Dat is het paradoxale van dit project: ik wil, kan en mag niet vooringenomen zijn; en toch ben ik hier in principe uitgenodigd om te schrijven over een “bevolkingsgroep” die ik niet ken, waar ik me tussen ga bevinden om nieuwe ervaringen op te doen, en waar dus toch iets speciaals aan moet zijn. Alsof het om een sociologisch experiment gaat. Natuurlijk zegt het ongemak dat ik ervaar zo veel over mijn persoonlijke beeld van oude mensen. En schijnbaar hebben we allemaal een beeld van oude mensen, kijk maar naar de verjaardag van mijn moeder; we doen er een beetje lacherig en denigrerend over. We willen allemaal oud worden, maar zonder zelf oud te worden. Vreemd genoeg is onze reactie op ouderen algemeen geaccepteerd. Ik zou het niet in mijn hoofd halen om zo over een andere bevolkingsgroep te denken of te schrijven; het is immers pure discriminatie. Terwijl ik de gordijnen in mijn tijdelijke kamer open en nieuwsgierig ben naar de weken die komen gaan, denk ik: ‘Ik moet niet vergeten dat ik alleen moet opschrijven wat ik zie. Geen oordeel.’

*

Er zijn veel activiteiten gepland. Je hoeft je hier niet te vervelen. Op woensdagmiddag haak ik in bij het bloemschikken. Er staat een lange tafel in een soort klaslokaal. Enkele bewoners worden door begeleiders met hun rolstoel naar de activiteitenkamer gereden. Er zitten zo’n vijftien mensen aan de tafel. Op de achtergrond klinkt muziek van André Rieu. Vrijwilligers delen koffie en bloemen uit. Een vrouw in een rolstoel vertelt dat ze niet meer kan lopen. Van de een op de andere dag was er iets mis. Ze kijkt me indringend aan en zegt: ‘Je mag blij zijn dat je op je eigen benen kunt staan, meisje.’

Ze begint te praten over van alles en nog wat. Tussendoor zegt ze steeds dat ze het verschrikkelijk vindt dat ze niet meer kan lopen. Haar man die naast haar zit zegt: ‘Als je vindt dat ze teveel praat moet je het zeggen, hoor. Op haar afdeling noemen ze haar de directeur. Ze regelt alles. Ze houdt haar mond niet.’

‘Ik vind het zonde om mijn mond te houden,’ zegt de vrouw. ‘Ik kan mijn benen niet gebruiken, dan gebruik ik mijn mond. Ik zeg gewoon alles wat ik denk. Niemand heeft daar wat tegenin te brengen; ik ben niet voor niets de directeur.’

image1

Advertenties

Laat een bericht achter

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s